Vele godzoekers zijn ons voorgegaan. Zij leefden dicht bij de bron en raakten ‘vol van God’. Gaven taal en teken van hun liefde.
Op deze pagina vindt u regelmatig teksten van hen tot voedsel en overweging.

Archief Bronwater

Thomas Merton
Thomas Merton, trappist van de abdij O.L.Vr. Gethsemani in Kentucky en een briljante geest – was als dichter, schrijver, monnik en kluizenaar een belangrijk auteur in de 20ste eeuw. Oecumenisch gezind, trad hij in dialoog met vooraanstaande vertegenwoordigers van andere religies. Voor velen is hij tot op heden een gids in hun geestelijke zoektocht.

Het “point vierge” van de dageraad
Hoe het dal ontwaakt! Te twee uur vijftien in de morgen is er geen enkel geluid, behalve in de abdij: de klokken luiden, het officie begint. Buiten, niets … tenzij misschien een kikvors die kwaakt in een kreek of in de vijver voor het gastenkwartier. Soms zit de kikvors in Samahdi; dan horen wij niet eens het gekwaak. Het mysterieuze en ononderbroken gieren van de nachtzwaluw begint rond drie uur. Niet altijd dichtbij. Soms zijn er twee die samen gieren, een mijl verreweg misschien, in de bossen naar het oosten toe.

Dit eerste getjilp van de dagvogels tekent het “point vierge” van de dageraad onder een hemel zonder licht nog, een ogenblik van ontzag en onuitsprekelijke onschuld, wanneer de Vader in volkomen stilte hun ogen opent. Ze beginnen met Hem te spreken, niet in vloeiend kwinkeleren, maar met de oprijzende vraag die hun stemming bij dageraad vertolkt, hun stemming bij het “point vierge”.

De vraag is of het tijd is voor hen om te “zijn”. De Vader antwoordt “ja”. En dan ontwaken zij, één voor één, en worden vogels. Zij manifesteren zich als vogels en beginnen te tierelieren. Zo meteen worden ze geheel zichzelf en gaan ook rondfladderen.
Intussen komt het wonderlijkste ogenblik van de dag, dit waarop de gehele schepping in haar onschuld weer eens toelating vraagt om te mogen “zijn”, zoals zij het deed op de allereerste van alle morgens.

Alle wijsheid zoekt zich samen te trekken en te manifesteren in dat éne blinde, heerlijke ogenblik. De wijsheid van de mens schiet te kort, want wij zijn in een soort eigengereidheid vervallen en kunnen aan niemand nog een toestemming vragen. Wij zien onze morgens in het gelaat als mensen met een onverschrokken vastberadenheid. Wij kennen de tijd en wij stellen de voorwaarden. Wij menen in een toestand te zijn die ons toelaat de voorwaarden te stellen: wij hebben een uurwerk dat bewijst dat we van meet af aan gelijk hebben. Wij weten hoe laat het is. Wij zijn in voeling met de verborgen innerlijke wetten. Wij zullen van te voren zeggen welk soort dag het moet worden. Want indien nodig, zullen wij ervoor zorgen dat hij aan onze eisen beantwoordt.

De vogels kennen geen tijd, geen andere dan het “point vierge”, het maagdelijk punt tussen duisternis en licht, tussen zijn en niet-zijn. Als je een beetje ervaren bent, kun je door hun ontwaken de tijd kennen. Maar dat is je eigen dwaasheid, niet de hunne. Nog grotere dwaasheid echter als je denkt dat ze je iets vertellen dat zou kunnen nuttig zijn – dat het vier uur in de morgen is, bijvoorbeeld.

Zo ontwaken zij: eerst de spotlijsters en de kardinaalvogels en enkele die ik niet ken. Later de bastaardnachtegalen en de winterkoninkjes. Laatst van al de duiven en de kraaien.

Het ontwaken van kraaien heeft veel weg van het ontwaken van mensen: knorrig, lawaaierig, rauw.

Hier is een onuitsprekelijk geheim: het paradijs is rondom ons en wij begrijpen het niet. Het is wijd open. Het zwaard is weggenomen maar wij weten het niet: wij zijn op weg “de een naar zijn hoeve, de andere naar zijn koopwaar”. Lichten aan. De uurwerken tikken. Thermostaten slaan aan. Fornuizen koken voedsel. Elektrische scheerapparaten vullen de radio’s met storingen. De diaken van het morgengloren roept “Wijsheid!” maar wij luisteren niet.