Hij verlangde zijn leven volkomen aan God te wijden. Zijn vriendschapsbanden weerhielden hem er echter van monnik te worden. Innerlijk verscheurd, vond hij pas rust nadat hij zich gemeld had bij de kloosterpoort van de strenge orde der Cisterciënzers te Rievaulx. “Het juk van de onthouding drukt niet terneer, maar bevrijdt de ziel”, schreef hij later. Deze vrijheid spreekt uit zijn werken, die de liefde voor God ademen waarmee hij later, tot abt gekozen, zijn kloostergemeenschap tot bloei bracht. Vanuit Rievaulx heeft Aelred verschillende nieuwe kloosters gesticht.
(Met vriendelijke dank aan Frits Heijting dat wij gebruik kunnen maken van zijn bloemlezing: ‘Met de ogen van de ziel’).

De liefde
God, wie U liefhebben, ontmoeten U; en omvatten U zoveel als zij U liefhebben. U bent liefde. Dit is de overvloed van uw huis, waarvan uw geliefden dronken worden, zodat zij zichzelf verliezen om op te gaan in U. Hoe kan dit anders gebeuren, Heer, dan door de liefde tot U? Maar dan wel met heel hun wezen. Ik bid U, laat in mijn ziel een stukje neerdalen van uw overgrote liefelijkheid, die het brood van haar bitterheid zoet maakt voor haar. Moge de ervaring van een stukje hiervan haar de ervaring verschaffen van wat zij begeert, waar zij naar verlangt en op haar pelgrimstocht zuchtend naar uitziet. Laat het hongeren hiernaar voor haar een proeven zijn, en het dorsten een drinken.

Geluk
Het is de mens niet alleen gegeven goed te zijn, zoals al het geschapene goed is, niet alleen mooi en harmonisch te zijn, maar bovenal gelukkig te zijn. Geen enkel schepsel heeft het zijn uit zichzelf, of is goed uit zichzelf, maar ontleent dit aan Hem die het hoogste zijn is en het hoogste goed; die de schoonheid is van al het schone en de oorzaak van al het bestaande. Evenmin is geen enkel schepsel gelukkig uit zichzelf, maar ontvangt hij of zij dit van Hem die het hoogste geluk is; en die daardoor het geluk is van allen die gelukkig zijn. Alleen het redelijke schepsel, geschapen naar het beeld van de Schepper, is ontvankelijk voor dit geluk; en in staat zich te hechten aan Hem, wiens beeld hij of zij is.

Wil en verstand
Het vermogen tot vrij beslissen is een eigenschap van de ziel, waardoor de mens nergens in toestemt zonder het oordeel van het verstand. De toestemming wordt gegeven door de wil, de beoordeling geschiedt door het verstand; en samen vormen zij het vermogen tot een vrije beslissing. Het verstand stelt voor ogen wat goed en wat verkeerd is, rechtvaardig en onrechtvaardig – en alles wat daartussen ligt – en de wil geeft de toestemming.

Begeerte
Door een verkeerd gebruik van de vrije wil heeft de mens zijn liefde afgewend van het onveranderlijke Goed; en haar gericht op iets gerings. Zo staat hij verblind en neergebogen door zijn eigen begeerte. Door zich af te wenden van het waarachtige Goed en zich te richten op wat niet goed is in zichzelf, komt hij tot afbraak, waar hij de vooruitgang najoeg. Door een verkeerde liefde voor zichzelf verliest hij zichzelf en God.
Zo is het gebeurd dat hij, die tegen God inging en in zijn weetgierigheid aan God gelijk wilde worden, vanwege zijn begeerte juist ongelijk werd aan Hem. Het beeld van de mens is dus bedorven, maar niet vernietigd. Hij heeft er immers nog een herinnering aan, beschadigd door de zwakheid van het geheugen. Hij bezit ook kennis, die echter onderhevig is aan dwaling. Hij heeft ook liefde, die echter maar al te vlug plaats maakt voor begeerte.

Leven in Christus
Laat mij u volgen, Heer, in de tuin waar uw lichaam als een zaad in de aarde is gelegd. Hier ligt u neer, hier viert u in zekere zin een heerlijke sabbath. Laat mij met u begraven zijn, Heer, opdat ik – levend in het lichaam – niet meer leef voor mijzelf, maar in u, die uzelf voor mij hebt overgeleverd1. Laat mij samen met u gezalfd worden, zodat de zonde niet meer heerst in mijn sterfelijk lichaam2, en ik niet wordt als een lastdier, dat ten onder gaat in zijn eigen vuil. (…) Ach, laat mij, Heer, uw kruis opnemen en u volgen. Hoe kan ik u volgen? “Hoe”, vraag Ik je, “ben je van Mij afgeweken?” Ik meen, Heer, niet door de stappen van mijn voeten, maar door de genegenheid van mijn geest. Toen ik in mijn ziel mijn geest niet op u wilde richten, heb ik hem gericht op mijzelf; en omdat ik mijzelf wilde bezitten zonder u, heb ik ook nog mijzelf verloren; en ben ik mijzelf tot een zware last geworden.
1) Gal 2,20 2) Rom 6,12

Vernieuwing
Zoals de mens in zijn hoogmoed zich door de begeerte van zijn geest heeft verwijderd van het hoogste Goed, en – versleten in zichzelf – Gods beeld in zich heeft bedorven: zo wordt ook de mens door de nederigheid en het verlangen van zijn geest waarmee hij God zoekt, vernieuwd tot de gelijkenis van God die hem schiep. De apostel zegt: Heel je denken moet zich vernieuwen. Bekleed je met de nieuwe mens, die is geschapen naar Gods beeld1. Hoe die vernieuwing tot stand komt? Niet anders dan door het nieuwe gebod van de liefde, waarvan de Verlosser zegt: Een nieuw gebod geef ik jullie2.
1) Ef 4,23v 2) Joh 13,34

De moederlijke liefde van de Geest beantwoorden.

Sterven om herboren te worden

… (3) Als de vleselijke mens zich inspant om te veranderen, begint hij met te sterven aan die wereld en wordt onvruchtbaar (Mt.13, 22, par.) ten aanzien van zijn eerste en oude leven naar de boosheid van de wereld: dan kan hij leven naar het woord van God. Inderdaad, wie zich wil overgeven aan een ander leven moet herboren worden met betrekking tot zijn eerste verachtelijke leven. (4) Als men ziekte of koorts opgelopen heeft, dan ligt het lichaam te bed zonder iets van werk van deze aarde te kunnen verrichten; maar terzelfder tijd spreekt de tong van die werken en blijft de geest niet in rust: die tobt en maakt zich zorgen over zijn beroep, hij zoekt een arts en stuurt zijn vrienden om hem te halen. Op een zelfde wijze heeft de ziel sinds de overtreding van het gebod de ziekte van de passies opgelopen; ze is zonder de minste kracht gevallen. Maar als ze nadert tot de Heer, gelooft zijn hulp te bekomen en haar eerste verachtelijke leven afwijst, zelfs als die ziel ziek ligt in zonde zonder de werken van het leven in waarheid te kunnen volbrengen, behoudt ze toch de kracht om zich zorgen te maken over het leven, om de Heer te smeken, om de ware arts te zoeken.

De genade, medelijdende moeder

(1)Het is niet waar dat de mens eens en voor altijd dood is en volstrekt niets goeds meer kan verrichten zoals sommigen beweren; bedrieglijke doctrines brengen hen in dwaling. Omdat ook het kind, als kan het nog geen enkel werk verrichten en vindt het zich niet staat zich op zijn voetjes te houden om naar moeder te lopen, -ook het kind rolt zich, roept, huilt om de aandacht van zijn moeder te trekken; en dat raakt en verrukt de moeder; zij is verheugd dat het kind haar roept in zijn moeite en kreten. Als de boreling niet in staat is tot bij haar te gaan, dan zal zij tot bij hem gaan om reden van het vurig zoeken en verlangen van het kind, gevangen als zij is in haar liefde voor het kind; zij troost en voedt het met een immense tederheid. (2) Niettemin, wanneer de moeder het kind bij zich neemt, kalmeert het niet meteen, maar gaat door met jammeren tot ze het in haar armen heeft gesloten en het de borst heeft gegeven om het met haar moedermelk te voeden; en dan beginnen de melkklieren te vloeien en verheugen het kind. Niettemin weent de nieuwgeborene nog, wanneer hij gesterkt is, door de moeder opgetild, aan de borst gelegd, wanneer het zich voedt met heerlijke moedermelk, omdat de moeder getreuzeld heeft met hem naar zich toe te halen en te troosten, maar het lange tijd aan zijn verdriet heeft overgelaten. En zelfs als men de boreling myriaden spijzen, goud, zilver of andere dingen zou reiken, brengt niets van dat alles hem vreugde en rust; hij laat zich door niets van dat alles afleiden, maar alleen door de moederborst; bij het zien daarvan hervindt hij zijn kalmte, daaruit haalt hij zijn voedsel, is helemaal tevreden en als hij haar ziet, ondervindt vreugde en blijdschap.

De heilige Geest aanroepen

(2)Zo is het ook gesteld met de zielen die nog blijven steken in de kinderlijkheid van de wereld; ze zijn ten prooi aan de hartstochten en niet in staat de werken van het leven te volbrengen om reden van de macht van het kwaad die zich aan hen klampt. Komen ze ertoe te roepen, de door God geboden hulp te zoeken en zich veel moeite te getroosten in het verlangen naar het eeuwige leven, roepen zij met hun geween en geroep de hemelse moeder, de heilige Geest aan zonder met iets in deze wereld gerust te stellen, maar slechts rust vinden in de deelname aan de Geest en hun verlangen naar voedsel, (3) dan komt de bovenbeste hemelse moeder, de genade van de heilige Geest[1], tot de zielen die haar zoeken; zij tilt hen op in haar armen van leven, verwarmt hen met het geestelijke en hemelse voedsel van de begerenswaardige, heilige, geestelijke en zuivere (1Petr.2,2) melk, opdat ze de hemelse Vader voelen en kennen door elke dag te groeien en vooruitgang te maken in geestelijke leeftijd, tot ze komen tot de volle maat en komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon (Ef.4,13), volgens het woord van de apostel: dan verkrijgen zij deel te hebben aan het eeuwige leven.

[1] De ‘hemelse moeder’ was ‘de genade van de Geest, de moeder van de heiligen’ in het begin van homilie 27 (§1, 1, 2, li. 14 s.); nu is ze de heilige Geest zelf. Ze is ook nog: ‘de goede Geest van God en Jeruzalem, de hemelse moeder’ die de sterfelijke moeder, door de asceten verlaten, vervangt (I, 54, 4, 5); ‘Rachel de echte moeder, de hemelse genade, de heilige Geest’ (I, 61, 2, 1)die ook het hemelse Jeruzalem is (§2, 2-4), het hemelse Jeruzalem (II, 6, 7); ‘de goede en bovenbeste moeder, de genade van de heilige Geest’(II, 28, 4); ‘de goddelijke genade, de goede en hemelse moeder’ (III, 16, 2, 3). Macarius sluit op dit punt aan bij de syrisch orthodoxe traditie met joods-christelijke en gnostische antecedenten. Zijn vergelijking van de Geest met een moeder wordt mogelijk omdat ruho in het syriak zowel als in het hebreeuws vrouwelijk is… De ‘genade’ (charis is ook vrouwelijk) die bij Macarius alomtegenwoordig is, staat ook voor Gods moederlijke aard.

MARIA, GENADE-AQUADUCT VAN GOD
H. Bernardus (1090-1153, Cisterciënzer, abt van Clairvaux)
De maand augustus kent drie Mariafeesten: ‘De tenhemelopneming van Maria (15.8)’, ‘Maria Koningin van hemel en aarde (22.8)’ en ‘Maria, Moeder en Middelares van genade (31.8)’. Bovendien vieren de cisterciënzers twee van hun voorname abten uit de beginperiode: de zalige Guerric van Igny (19.8) en de heilige Bernardus (20.8). Beiden waren grote Mariavereerders. In deze maand laten we daarom graag Bernardus aan het woord. Hij zag Maria als Aquaduct van Gods genade. Genoeg associaties met de vermelde Mariafeesten.
God bouwde in de volheid van de tijd een Aquaduct – de Maagd Maria. Door haar verlangen en haar vurig gebed verhief zij zich tot de hemel om er het levend water vanuit de levensbron op te vangen: Jezus Christus. Maria heeft genade gevonden, en als Aquaduct laat zij de genade tot bij de mensen stromen, tot bij ons. Telkens weer en tot op onze dagen… Waarom iets anders zoeken dan die genade, vraagt Bernardus zich af!

Het eeuwig leven is een nooit ophoudende bron die heel de oppervlakte van het paradijs besproeit (cf. Gen. 2,6), en niet alleen besproeit maar doordrenkt, een bron in de tuinen, een fontein van
levende wateren die met kracht neerstromen (Hgl. 4,15), en de kracht van deze stroom verblijdt de stad Gods (Ps. 46,5).
Wie is de bron des levens (cf. Ps. 36,10) anders dan Christus, de Heer? «Als uw Leven verschijnt», zo staat er, «zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid» (Kol. 3,4).
Inderdaad, de Volheid (cf. Kol. 2,9) heeft zichzelf ontledigd (cf. Fil. 2,7) om onze gerechtigheid, onze heiliging en onze verlossing te worden (cf. 1 Kor. 1,30). Het Leven verschijnt nog niet of er is heerlijkheid en zaligheid (cf. Kol. 3,4). De Bron is neergestroomd tot bij ons, de wateren zijn uitgevloeid over de pleinen.
Die ader van de hemel daalde over ons langs een Aquaduct dat wel niet de ganse overvloed van de Bron geeft, maar toch in onze dorre harten een druppelval van genade stort, bij de enen wat meer, bij de anderen wat minder. Het Aquaduct is vol opdat anderen van de Volheid zouden ontvangen (cf. Joh. 1,16), maar niet de Volheid zelf.

Indien ik me niet vergis, heb je al bemerkt wie ik bedoel met dit Aquaduct, dat de Volheid van de bron zelf uit het hart van de Vader ontvangt en ze aan ons doorgeeft, niet zoals ze is, maar voor zover we ze kunnen bevatten. Je weet immers tot wie gezegd werd: «Wees gegroet, vol van genade» (Luc. 1, 28).
De stromen van de genade hebben zo lang aan het menselijk geslacht ontbroken, omdat het zo verlangde Aquaduct waarover we spreken, er nog niet was.
Hoe kon ons Aquaduct die hooggelegen Bron bereiken? Hoe anders, denk je, dan door de vurigheid van haar verlangen, de gloed van haar godsvrucht en de zuiverheid van haar gebed? Er staat immers geschreven: «Het gebed van de rechtvaardige dringt door de hemelen heen» (Sir. 35,21). En wie is rechtvaardig, indien Maria het niet is, uit wie de Zon van de gerechtigheid (cf. Mal. 4,2) over ons opging?
Hoe anders zou ze die ongenaakbare Majesteit bereiken dan door te kloppen, te vragen, te zoeken (cf. Mat. 7,7)? Wat ze zocht, heeft ze gevonden (cf. Hgl. 3,4), zij tot wie gezegd is: «Gij hebt genade
gevonden bij God» (Luc. 1,30).
Wat? Ze is vol van genade (cf. Luc. 1,28), en toch heeft ze genade gevonden? Zeker, ze was waardig te vinden wat ze zocht (cf. Hgl. 3,3-4; Mat. 7,8), zij wier eigen volheid niet voldoende was en die niet met haar eigen goed tevreden kon zijn, maar overeenkomstig wat geschreven is: «Wie mij drinkt, zal nog dorst hebben» (Sir. 24,29), vroeg ze een overstromende vloed tot heil van de hele wereld.
«De heilige Geest zal over u komen» (Luc. 1, 35), wordt er gezegd, en deze kostbare balsem zal in zo’n grote hoeveelheid en volheid in u binnenvloeien, dat hij naar alle kanten weer allerovervloedigst kan uitstromen. Zo is het, we voelen het nu reeds. Ons gelaat wordt reeds vrolijk om die olie (cf. Ps. 104,15) en we roepen het uit: «Uw naam is als uitgegoten olie (Hgl. 1,3); uw gedachtenis gaat van geslacht op geslacht».

Beschouw, o mens, Gods raadsbesluit; erken het raadsbesluit van de Wijsheid en dat van de Barmhartigheid.
Laten we dieper doorschouwen met welke godsvrucht en genegenheid Hij Maria door ons vereerd wilde zien, Hij die haar met de Volheid van al het goede vervulde; zo weten we dat, indien er nog enige hoop, enige genade, enig heil in ons aanwezig is, we dit uit haar overvloed, die vol zoetheid oprijst (cf. Hgl. 8,5), ontvangen. Ze is waarlijk een lusthof (cf. Hgl. 4,12-14), niet alleen beademd door de opkomende dageraad, maar geheel doorkruist door de zuidenwind van de godheid, zodat zijn geuren alom in- en uitwaaien (cf. Hgl. 4,16); dat zijn de geestesgaven of genaden.

Laten we dus met heel de kern van ons hart, met alle genegenheid van onze inborst en met al onze innigste wensen Maria vereren, want dat is de wil van Hem die wilde dat we alles langs Maria zouden ontvangen. Altijd zal ze genade vinden, en genade is al wat we nodig hebben. Deze verstandige Maagd (cf. Mat. 25,2) vroeg geen wijsheid, zoals Salomo, ook geen rijkdom, geen eer en geen macht (cf. 1 Kon.3,11), maar zij vond genade, en alleen genade zal ons redden.
Waarom begeren we andere dingen, broeders? Laten we genade zoeken en laten we die langs Maria zoeken, want wat zij zoekt, vindt ze (cf. Hgl. 3,4; Mat. 7,8); ze kan niet teleurgesteld worden. Laten we genade zoeken, maar bij God (cf. Luc. 1,30; 2,52), want genade bij de mensen is bedrieglijk (cf. Spr. 31,30). Laten anderen verdiensten zoeken, wij willen ernaar streven genade te vinden.
Waarom dan? Is het niet door genade dat we hier zijn? Zeker, het is aan Gods barmhartigheid te danken (cf. Klaagl. 3,22), dat we nog niet verteerd zijn. Wat zijn we? Eedverbrekers, moordenaars, overspeligen, baanrovers, uitgeworpenen van deze wereld (cf. 1 Kor. 4,13). Raadpleegt jullie geweten, broeders, en jullie zullen zien dat waar de zonde overvloedig was, de genade nog overvloediger gebleken is (cf. Rom. 5,20).

H. Porfyrios (1906-1991, Orthodox monnik)
Op zeer jonge leeftijd vertrok Porfyrios naar de heilige Berg Athos (Griekenland) om er monnik te worden. Hij leefde er onder de leiding van twee oudvaders. Door ernstige ziekte geveld moest hij de heilige Berg verlaten, maar bleef heel zijn leven monnik in hart en nieren. Hij staat in de lijn van de grote monastieke geestdragers die de orthodoxe kerk rijk is en werd heilig verklaard in 2013.
Porfyrios was een blije mens, hield van planten, dieren en vogels. Opgewekt bezong en eerde hij zijn Schepper. Christus was zijn Alles, zijn vreugde. In zijn Liefde ging elke mens hem ter harte!

De nachtegaal
Ik hield van de nachtegaal en hij inspireerde mij. Op een ochtend liep ik alleen in het maagdelijk bos. Alles was ververst door de ochtenddauw en schitterde in de zon. Ik bevond mezelf in een ravijn. Ik liep er doorheen en ging op een rots zitten. Het koude water stroomde vreedzaam naast mij en ik was het gebed aan het zeggen. Volledige vrede. Er was niets te horen. Na korte tijd hoorde ik in de stilte een zoete, bedwelmende stem die de Schepper bezong en prees. Ik keek. Ik kon niets onderscheiden. Uiteindelijk, zag ik op een tak tegenover mij en heel klein vogeltje. Het was een nachtegaal. Ik luisterde terwijl de nachtegaal zong en zich inspande, zijn keel uitgezet door de trillers.
Dat microscopisch klein vogeltje was zijn vleugels naar achter aan het strekken om de kracht te vinden om die zoetste tonen te uiten, en zijn keel aan het uitzetten om die prachtige stem voort te brengen. Had ik maar een kop water om hem te drinken te geven om zijn dorst te lessen!
Er kwamen tranen in mijn ogen…

Ik kan u niet vertellen wat ik voelde, wat er in mij omging. Ik dacht: “Waarom brengt deze kleine nachtegaal deze geluiden voort? Waarom maakt hij zulke trillers? Waarom zingt hij dit prachtig lied? Waarom, waarom, waarom… Waarom zingt hij zijn keel schor? Waarom, waarom, om welke reden? Verwacht hij dat iemand hem zal prijzen? Zeker niet. Niemand zal dat doen.”
Wat vertelde die nachtegaal me niet! En hoeveel zei ik niet tegen hem in stilte. “Kleine nachtegaal, wie heeft je gezegd dat ik hier langs zou komen? Niemand komt hier. Het is zo’n afgelegen plek. Hoe wonderbaar vervul je voortdurend je plicht, je gebed tot God! Hoeveel zeg je mij, en hoeveel leer je mij, kleine nachtegaal! Mijn God, wat ben ik ontroerd. Met je fluiten, lieve nachtegaal, toon je mij hoe ik God moet bezingen, je leert mij duizenden dingen, ontelbaar…”

Ik hield erg veel van die nachtegaal. Ik hield van hem en hij inspireerde mij. Ik dacht: “Waarom hij en niet ik? Waarom verbergt hij zich voor de wereld en ik niet?” En de gedachte kwam ik mijn hoofd dat ik weg moest gaan, ik moest mezelf verliezen, ik moest ‘ophouden te bestaan’. Ik zei tegen mezelf: “Waarom? Had hij toeschouwers? Wist hij dat ik daar was en het kon horen? Wie hoorde hem toen hij zijn keel schor zong? Waarom ging hij naar zulk een verborgen plaats? En al die kleine nachtegalen dan midden in het dichte woud, in de ravijnen, dag en nacht, bij zonsondergang en zonsopgang? Wie hoorde ze hun keel verscheuren? En waarom deden ze dat? Waarom gingen ze naar zulke geheime plaatsen? Waarom zetten ze hun keel uit tot barstens toe? Het doel was gebed, zingen voor hun Schepper, God aanbidden.” Zo verklaarde ik het.

Ik beschouwde ze alle als engelen van God, kleine vogels die God de Schepper van alles verheerlijkten en niemand hoorde ze. Ja, geloof mij, ze verborgen zich zodat niemand ze zou horen. Het interesseerde ze niet of ze gehoord werden; maar daar in de eenzaamheid, in vrede, in de wildernis, in stilte, door wie wilden ze dan gehoord worden? Door niemand anders dan door de Maker van alles, de Schepper van alles, door Hem Die hun leven en adem en stem had gegeven. U zult vragen: “Deden ze het bewust?” Wat moet ik zeggen? Ik weet niet of ze het bewust deden of niet. Ik weet het niet. Uiteindelijk zijn het vogels. Het kan zijn, zoals de Heilige Schrift zegt, dat ze heden leven en morgen niet langer bestaan. Wij moeten niet anders denken dan wat de Heilige Schrift zegt. God kan ons zeggen dat dit allemaal engelen Gods zijn. Wij weten deze dingen niet. In ieder geval verborgen ze zich zodat niemand hun lofzang zou horen.

En zo is het ook met de monniken op de Heilige Berg (Athos); hun leven is onbekend. Je leeft met je oudvader en je houdt van hem. Metanieën en ascetische strijd maken alle deel uit van het dagelijks leven, maar je herinnert je ze niet, en niemand vraagt over je: “Wie is hij?”
Je leeft Christus; je hoort toe aan Christus. Je leeft met alles, en je leeft God, in Wie alle dingen leven en bewegen – in Wie en door Wie je binnentreedt in de ongeschapen kerk en daar onbekend leeft. En al wijd je jezelf in gebed toe aan je naaste, je blijft onbekend voor alle mensen, en misschien zullen ze je nooit kennen.

Een aantal asceten die in de woestijn verdwenen hebben deze zuiverheid, deze volmaaktheid bereikt. Zij zochten noch de wereld, noch om het even wat… Zij smolten in tranen weg voor God en baden voor de kerk. Ze waren eerst bekommerd om de wereld en de kerk en daarna om zichzelf.

Porfyrios (1906-1991, Orthodox monnik)
Op zeer jonge leeftijd vertrok Porfyrios naar de heilige Berg Athos (Griekenland) om er monnik te worden. Hij leefde er onder de leiding van twee oudvaders. Door ernstige ziekte geveld moest hij de heilige Berg verlaten, maar bleef heel zijn leven monnik in hart en nieren. Hij staat in de lijn van de grote monastieke geestdragers die de orthodoxe kerk rijk is en werd heilig verklaard in 2013.
Porfyrios was een blije mens, hield van planten, dieren en vogels. Opgewekt bezong en eerde hij zijn Schepper. Christus was zijn Alles, zijn vreugde. In zijn Liefde ging elke mens hem ter harte!

Over het gebed
U raakt van streek als anderen niet goed zijn, terwijl u uzelf op het gebed zou moeten toeleggen zodat wat u verlangt, door de genade Gods gebeurt. Met uw eigen wijsheid vertelt u anderen wat er gedaan zou moeten worden, terwijl dat niet noodzakelijk het beste is. Het geheim is elders, en niet in wat wij zeggen of aan anderen voorstellen. Het geheim is in onze godsvrucht, ons gebed tot God: opdat het beste voor onze broeders gebeurt door de genade Gods. Dat is het. Wat wij niet kunnen doen, zal gebeuren door Zijn genade.

In mijn leven neemt het gebed de eerste plaats in. Ik vrees de hel niet en ik denk niet aan het paradijs. Ik vraag alleen aan God zich te ontfermen over de hele wereld en over mij. Als ik “Heer Jezus Christus, ontferm U over mij” intens herhaal, word ik niet afgeleid van het gebed, zelfs als mensen om mij heen zijn. Het is hetzelfde als wanneer ik alleen ben. Ik bid, ik ontvang iedereen in de Geest van Christus en ik verlang te bidden voor alle mensen. Ik tracht Christus lief te hebben. Daar streef ik naar. Wegens mijn vele ziektes kan ik niet veel spreken. Maar gebed helpt meer dan woorden.

Ik bid voor de zaken die u bezighouden, maar dat is niet genoeg. Mijn gebed moet bij u een reactie opwekken. God die zijn genade op ons neer zendt, moet ons met open armen vinden om die te ontvangen. En hetgeen Hij toelaat, zal in het voordeel zijn van onze ziel. Niets wordt echter bereikt als wij bidden en u slaapt!

Mensen beschuldigen mij dikwijls, maar “dan houd ik mij doof, wil niet horen; een doofstomme hij opent geen mond” (ps.37,14). Bid voor hen die u beschuldigen. Zeg: “Heer Jezus Christus, ontferm U over mij”, niet “ontferm U over hem”, en u beschuldiger zal in het gebed opgenomen worden. Zegt iemand u iets dat u van streek brengt? God weet het. Wat u moet doen is uw armen uitspreiden en zeggen: “Heer Jezus Christus, ontferm U over mij”. Maak uw beschuldiger één met uzelf. En God weet waarmee uw beschuldiger u diep van binnen kwelt, en Hij ziet uw liefde en haast zich u te helpen. Hij zoekt het verlangen in de harten. Wat zegt de heilige Paulus in zijn brief aan de Romeinen? “Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling” (Rom 8, 27).

Bid voor de zuivering van elke mens, zodat u in uw leven het gebed van de engelen kunt nadoen. Ja, de engelen bidden niet voor zichzelf. Zo bid ik voor mensen, voor de Kerk, voor het lichaam van de Kerk. Op het moment dat u bidt voor de Kerk wordt u bevrijd van uw hartstochten. Op het moment dat u God verheerlijkt, komt uw ziel tot rust en wordt zij geheiligd door goddelijke genade. Ik wil dat u die kunst leert.

God wil dat wij als engelen worden. De engelen verheerlijken God alleen. Dit is hun gebed, verheerlijking van God en niets anders. De verheerlijking van God is een subtiele zaak; het valt buiten menselijke criteria.
Wij zijn heel materialistisch en aan de aarde gebonden, en om die reden bidden wij tot God met eigenbelang. Wij vragen Hem onze zaken in orde te brengen, onze zaken goed te laten gaan, onze gezondheid en onze kinderen te beschermen. Maar wij bidden op een menselijke manier en met eigenbelang. Doxologie* is een gebed zonder eigenbelang. De engelen bidden niet om iets te krijgen, zij zijn onbaatzuchtig. God heeft ook ons de mogelijkheid gegeven te bidden in een niet eindigende doxologie, een engelengebed. Hier ligt het grote geheim. Als wij dit gebed ingaan, verheerlijken wij God voortdurend, wij laten alles aan Hem over, zoals onze Kerk bidt: “Bevelen wij aan Christus onze God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan”. Dat is de hogere wiskunde van onze godsdienst!

* Lofprijzing

H. SILOUAN DE ATHONIET (1866-1938, orthodoxe monnik)

Silouan werd in Rusland geboren in 1866. Na een nogal bewogen jeugd ging hij naar de Athosberg (Griekenland) om er als monnik te leven. Hij stierf er in 1938. Kort na zijn intrede had hij een overweldigende Christuservaring. Zozeer aangegrepen door de zachtheid en nederigheid van Christus, wordt hij hiervan de grote getuige. Heel zijn leven is een zoektocht naar de genade om die nederigheid van Christus tot de zijne te maken. Hoe verwerf ik de genade, hoe behoud ik ze, en wat doet me de genade verliezen? Dag en nacht bad hij in tranen voor de redding van alle mensen.

Barmhartigheid van God en het berouw bij de mens
Mijn ziel heeft u leren kennen, Heer, en ik schrijf aan Uw volk over Uw barmhartigheid.
Weest niet bedroefd, volkeren, dat het moeilijk is voor u om te leven. Strijdt slechts tegen de zonde en smeekt de Heer om hulp, Hij zal ze u verlenen want Hij is barmhartig en Hij heeft ons lief.
O volkeren ! Onder tranen schrijf ik u deze regels. Mijn ziel verlangt dat gij de Heer leert kennen en dat gij Zijn barmhartigheden en Zijn heerlijkheid zult schouwen. Ik ben tweeënzeventig jaar; ik ga spoedig sterven, ik schrijf voor u over de barmhartigheid van de Heer, die Hij mij verleend heeft te leren kennen door de Heilige Geest; en de Heilige Geest heeft mij geleerd alle mensen lief te hebben. Ik zou u op een hoge berg willen plaatsen, zodat gij vanaf de top het zachtmoedige en barmhartige Gelaat van de Heer zoudt kunnen zien en uw harten zich zouden verheugen. Ik zeg u de waarheid: ik vind in mijzelf niets goeds en ik heb talrijke zonden begaan, maar de genade van de Heilige Geest heeft ze uitgewist. En ik weet dat de Heer aan degenen die tegen de zonde strijden, niet slechts de vergeving van zonden geeft maar ook de genade van Zijn Heilige Geest, Die de ziel vreugde schenkt en haar een diepgaande en zoete vrede geeft.
Heer, Gij hebt Uw schepsel lief.
Wie kan Uw liefde begrijpen of van haar genieten,
als Gij hem niet Zelf onderricht door Uw Heilige Geest ?
Ik bid U, Heer:
zend de genade van de Heilige Geest neer op Uw volk
opdat zij Uw liefde mogen leren kennen.
Verwarm de bedroefde harten der mensen
opdat zij U in vreugde mogen verheerlijken,
terwijl ze het leed op aarde vergeten.
Genaderijke Trooster, onder tranen smeek ik U,
troost de bedroefde zielen van Uw mensen.
Verleen de volkeren om de zoete klank van Uw stem te horen,
die tegen hen zegt:
«Uw zonden zijn u vergeven.»
Ja Heer, het ligt in Uw macht om wonderen te verrichten
en er bestaat geen groter wonder
dan het liefhebben van de zondaar in zijn val.
Het is gemakkelijk om een heilige lief te hebben: want hij is dit waardig.
Ja, Heer, verhoor het gebed van de aarde.
Alle volkeren treuren;
alle zijn zij moedeloos door de zonde;
alle zijn zij beroofd van Uw genade en wonen in de duisternis.
Volkeren, laat de gehele aarde tot God roepen ! En ons gebed zal worden verhoord, want de Heer verheugt zich over het berouw van de mensen; en alle hemelse machten wachten op ons, opdat ook wij ons mogen verheugen in de zoetheid van Gods liefde en de schoon¬heid van Zijn Gelaat mogen aanschouwen.

H. SILOUAN DE ATHONIET (1866-1938, Russisch-orthodoxe monnik en starets, berg Athos)
Silouan werd in Rusland geboren in 1866. Na een nogal bewogen jeugd ging hij naar de Athosberg (Griekenland) om er als monnik te leven. Hij stierf er in 1938. Kort na zijn intrede had hij een overweldigende Christuservaring. Zozeer aangegrepen door de zachtheid en nederigheid van Christus, wordt hij hiervan de grote getuige. Heel zijn leven is een zoektocht naar de genade om die nederigheid van Christus tot de zijne te maken. Hoe verwerf ik de genade, hoe behoud ik ze, en wat doet me de genade verliezen? Dag en nacht bad hij in tranen voor de redding van alle mensen.


Christus, de Barmhartige

Waar was je mijn kind?
Als de mensen wisten wat de liefde van de Heer is, zouden ze massaal naar Christus stromen en zou Hij hen allen verwarmen met Zijn genade. Zijn barmhartigheid is onuitsprekelijk. De ziel vergeet de aarde door de liefde van God. De Heer heeft de berouwvolle zondaar zeer lief en liefhebbend drukt Hij hem tegen zijn borst: “Waar was je, Mijn kind? Ik wacht al lang op je” (Lc. 15,20). De Heer roept alle mensen tot Zich door de stem van het Evangelie en zijn stem weerklinkt over de gehele aarde.
“Komt tot Mij, gij allen die belast zijt en Ik zal u rust geven. Komt en drinkt van het levendmakende water (naar Mt 11,28). Komt en verneemt dat Ik u liefheb (Joh 7,37). Als Ik u niet liefhad, zou Ik u niet roepen. Ik kan het niet verdragen dat er ook maar één van mijn schapen verloren zou gaan. Zelfs voor één enkel schaap gaat de Herder naar de bergen en zoekt het overal. Komt tot Mij, Mijn schapen. Ik heb u geschapen en Ik heb u lief. Mijn liefde voor u heeft Mij naar de aarde gebracht en Ik heb alles geduld omwille van uw verlossing. Ik wil dat u Mijn liefde leert kennen en dat u evenals de apostelen op de berg Thabor zult zeggen: “Heer, het is goed voor ons om met U te zijn” (Mc 7,5)…
U hebt de zielen van de heiligen tot U aangetrokken, Heer, en zij stromen naar U als stille rivieren. De geest van de heiligen heeft zich vastgehecht aan U, Heer, en hij strekt zich uit naar U, ons Licht en onze vreugde. De harten van uw heiligen zijn bevestigd in Uw liefde, Heer, en zij kunnen U geen ogenblik vergeten, zelfs niet in hun slaap, want de genade van de Heilige Geest is zoet.

Silouan

Dom André Louf (monnik en abt, Vlaming van geboorte, +2010)
Dom André Louf was meer dan 30 jaar abt van de Catsberg (trappistenabdij in Noord-Frankrijk). De laatste 10 jaar van zijn leven trok hij zich terug in grotere afzondering en stilte. Hij leefde als kluizenaar in Zuid-Frankrijk. Levend en puttend uit de bronnen van de christelijke en monastieke traditie, werd hij één van de grote geestdragers van onze tijd. Een ware getuige van Gods genade die werkzaam wil zijn in de nederige en arme mens.


Over het geloof

Het geloof is niet alleen het ‘ja’ zeggen op geloofswaarheden,
maar veeleer
de volledige inzet van onze ganse persoon tegenover Jezus.
Dus niet alleen aan God geloven, geloven dat Hij bestaat,
maar in God geloven :
het is gaan naar God,
het is een meeslepend geloof,
een trekkend geloof,
een geloof dat mij op weg zet naar God,
dat een uittocht is uit mezelf
en een intocht in God,
een geloof dat gans mijn leven als het ware ophangt
aan dit ene woord van Jezus:
’Zeg slechts één woord en ik zal gezond zijn.’

Dat is iets zeer nieuws in ons leven,
zeer omwentelend, zeer bekerend :
dat we uit onszelf treden,
dat we onszelf kunnen vergeten en opgeven
en dat we in het bereik komen
van Gods levend en almachtig woord,
komen in God zelf,
met alle gevolgen daarvan.

Het geloof is die bevrijding van ons meest intieme zelf,
de verlossing van ons hart,
een grendel die weggetrokken wordt,
een deur die opengaat,
de ervaring van God die binnenspoelt,
die ons overspoelt, overweldigt, meesleept
in de herscheppende macht,
de herscheppende kracht van Gods almacht.

Het is voor alles een staat van geloven,
die heel de mens aanspreekt en aangrijpt,
klein en verloren tegenover onszelf,
tegenover de anderen en tegenover God.
Dit mateloze vertrouwen in Hem
dat Hij ook wonderen in ons zal verrichten.

Heilige Columbanus (monnik en abt, † 615)
Columbanus werd in Ierland geboren rond 540. Hij was missionaris, stichtte tal van kloosters op het Europese vasteland. En schreef een strenge monniksregel.
Kenmerkend voor zijn spiritualiteit is de peregrinatio – het verlaten van het eigen land, om te leven als vreemdeling die slechts thuis komt bij zijn Heer.
Zijn invloed was zeer groot in het Westers monnikendom.

“U bent het licht van de wereld”

Hoe gezegend, hoe gelukkig zijn “de dienaren,
die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden” (Luc. 12, 37).
Hoe gezegend is het
te waken tot de komst van God,
de Schepper van het heelal,
die alles vervult en alles te boven gaat!
Moge Hij ook mij,
hoe gering ook,
maar in elk geval zijn dienaar,
uit de slaap van mijn loomheid wekken
en zó,
dàt vuur van de goddelijke liefde in mij ontsteken,
dat de vlam van zijn liefde alle sterren overstijgt,
dat het verlangen
naar zijn alles overtreffende liefde en het goddelijk vuur
voor altijd in mij brandt.

Had ik maar zulke verdiensten,
dat mijn lamp ’s nachts altijd
in de tempel van de Heer blijft branden
en dat zij allen
die het huis van mijn God betreden, verlicht. (cf Mat 5,15)
Heer, geef mij,
zo vraag ik U
in de naam van Jezus Christus,
uw Zoon, mijn God,
die liefde die nooit minder wordt,
zodat mijn lamp altijd brandt
en nooit gedoofd wordt;
moge zij voor mij branden,
moge zij voor anderen stralen.

Thomas Merton
Thomas Merton, trappist van de abdij O.L.Vr. Gethsemani in Kentucky en een briljante geest – was als dichter, schrijver, monnik en kluizenaar een belangrijk auteur in de 20ste eeuw. Oecumenisch gezind, trad hij in dialoog met vooraanstaande vertegenwoordigers van andere religies. Voor velen is hij tot op heden een gids in hun geestelijke zoektocht.

Het “point vierge” van de dageraad
Hoe het dal ontwaakt! Te twee uur vijftien in de morgen is er geen enkel geluid, behalve in de abdij: de klokken luiden, het officie begint. Buiten, niets … tenzij misschien een kikvors die kwaakt in een kreek of in de vijver voor het gastenkwartier. Soms zit de kikvors in Samahdi; dan horen wij niet eens het gekwaak. Het mysterieuze en ononderbroken gieren van de nachtzwaluw begint rond drie uur. Niet altijd dichtbij. Soms zijn er twee die samen gieren, een mijl verreweg misschien, in de bossen naar het oosten toe.

Dit eerste getjilp van de dagvogels tekent het “point vierge” van de dageraad onder een hemel zonder licht nog, een ogenblik van ontzag en onuitsprekelijke onschuld, wanneer de Vader in volkomen stilte hun ogen opent. Ze beginnen met Hem te spreken, niet in vloeiend kwinkeleren, maar met de oprijzende vraag die hun stemming bij dageraad vertolkt, hun stemming bij het “point vierge”.

De vraag is of het tijd is voor hen om te “zijn”. De Vader antwoordt “ja”. En dan ontwaken zij, één voor één, en worden vogels. Zij manifesteren zich als vogels en beginnen te tierelieren. Zo meteen worden ze geheel zichzelf en gaan ook rondfladderen.
Intussen komt het wonderlijkste ogenblik van de dag, dit waarop de gehele schepping in haar onschuld weer eens toelating vraagt om te mogen “zijn”, zoals zij het deed op de allereerste van alle morgens.

Alle wijsheid zoekt zich samen te trekken en te manifesteren in dat éne blinde, heerlijke ogenblik. De wijsheid van de mens schiet te kort, want wij zijn in een soort eigengereidheid vervallen en kunnen aan niemand nog een toestemming vragen. Wij zien onze morgens in het gelaat als mensen met een onverschrokken vastberadenheid. Wij kennen de tijd en wij stellen de voorwaarden. Wij menen in een toestand te zijn die ons toelaat de voorwaarden te stellen: wij hebben een uurwerk dat bewijst dat we van meet af aan gelijk hebben. Wij weten hoe laat het is. Wij zijn in voeling met de verborgen innerlijke wetten. Wij zullen van te voren zeggen welk soort dag het moet worden. Want indien nodig, zullen wij ervoor zorgen dat hij aan onze eisen beantwoordt.

De vogels kennen geen tijd, geen andere dan het “point vierge”, het maagdelijk punt tussen duisternis en licht, tussen zijn en niet-zijn. Als je een beetje ervaren bent, kun je door hun ontwaken de tijd kennen. Maar dat is je eigen dwaasheid, niet de hunne. Nog grotere dwaasheid echter als je denkt dat ze je iets vertellen dat zou kunnen nuttig zijn – dat het vier uur in de morgen is, bijvoorbeeld.

Zo ontwaken zij: eerst de spotlijsters en de kardinaalvogels en enkele die ik niet ken. Later de bastaardnachtegalen en de winterkoninkjes. Laatst van al de duiven en de kraaien.

Het ontwaken van kraaien heeft veel weg van het ontwaken van mensen: knorrig, lawaaierig, rauw.

Hier is een onuitsprekelijk geheim: het paradijs is rondom ons en wij begrijpen het niet. Het is wijd open. Het zwaard is weggenomen maar wij weten het niet: wij zijn op weg “de een naar zijn hoeve, de andere naar zijn koopwaar”. Lichten aan. De uurwerken tikken. Thermostaten slaan aan. Fornuizen koken voedsel. Elektrische scheerapparaten vullen de radio’s met storingen. De diaken van het morgengloren roept “Wijsheid!” maar wij luisteren niet.

Isaak van Nineve – Syrische monnik; geboren in het gebied van Bet Qatraye (het huidige Qatar) in de eerste helft van de 7 de eeuw

Zalig wie zijn ellende kent,
hij zal in zijn diepste angst en verlorenheid beseffen
dat alleen God, de Ene, hem kan redden.
En hij zal roepen
en in zijn vernedering
tot het uiterste blijven smeken om hulp. Totdat
hij mag ondervinden
hoe God het gebroken en vernederde hart niet afwijst (psalm 51).
Vurig smekend zal hij een kracht in zich ontwaren :
Gods nabijheid zal hem inhalen tot hij,
verrukt en verwonderd,
geen woorden genoeg meer zal hebben
om God te danken en te loven.

Willem van St.-Thierry, cisterciënzer – 12de eeuw
Uit zijn ‘Inleidend woord’ op zijn Hoogliedcommentaar, nrs 1.3.25

Heer onze God, die ons geschapen hebt naar uw beeld en gelijkenis (Gen 1,26) om U te beschouwen en U te genieten, U die niemand genietend kan beschouwen tenzij in zover hij op U gelijkt (1 Joh 3,26).  O glans van het Hoogste Goed die iedere redelijke ziel door verlangen naar U aantrekt, en des te vuriger naar U toe, naarmate ze innerlijk zuiverder is, en des te zuiverder naarmate ze vrijer is van het lichamelijke ten voordele van het geestelijke: bevrijd van de slavernij aan het bederf datgene in ons wat U alleen moet dienen, onze liefde…

Heer, maak haar vrij in ons; dat met zuivere minne U moge liefhebben uw bruid, de christenziel, zo rijk begiftigd met uw Bloed als bruidsschat en uw Geest als onderpand; dat ze onder de kommervolle beklemmingen van dit leven, afkerig van haar zwerftocht ver van U, en een al te langdurig verblijf in het vreemde land (Ps120,5), voor U haar minnelied zingen mag (Ps 137,4), dat ze mag herademen, en de pijn haar lichter wordt. Moge zij van U doordrongen worden en ondertussen vergeten waar ze is. Moge ze iets ontvangen, waardoor ze inziet wat haar ontbreekt (Ps 39,5). Nu is het tijd om barmhartig te zijn, nu is de tijd gekomen. Ge hebt haar meegelokt en weggevoerd de eenzaamheid in, om daar tot haar hart te spreken (Hos 2,16). Spreek dan en zeg tot haar, zeg tot haar hart: Ik ben uw heil (Ps35,3)…

O Liefde,     (O Liefdebedoeld wordt: de heilige Geest!)
waaraan iedere liefde haar naam ontleent,
ook de lichamelijke, en zelfs de ontaarde liefde,
Heilige en heiligmakende Liefde,
zuiver en zuiverend,
levenschenkend leven,
open voor ons uw heilig lied,
ontsluier het mysterie van uw kus,
en de diepe zin van uw gefluister,
waarmee Ge in het hart van uw zonen
betoverend zingt over uw kracht
en het zalig genieten van U.
Leer ons uw geheime wenken te verstaan,
waardoor U zich bekend maakt aan uw vertrouwelingen,
aan hen die U eerst zuivert van onreinheden, opdat ze de ontvankelijkheid voor U verwerven. Samenwonen met onzuivere begeerten en genoegens acht U beneden uw waardigheid
en dat bent U ook aan niemand verschuldigd,
want U bent van omhoog en U trekt mee naar boven.
Maar zij zijn allen van beneden.
Leer ons dat oord binnengaan,
waar die bewonderenswaardige Woontent staat,
en doordringen tot aan het verblijf van God,
met een stem die de klank heeft van iemand die aan een feestmaal deelneemt
onder gejubel en lofprijzing.
Leer ons binnengaan in die toestand van de geest (Ps 42,5.6),
waarin de tafelgenoot,
– of liever hij die van tafel opstaat met nog grotere honger –
uitroept: “Dat Hij me kusse met een kus van zijn mond”.

Geertrui van Helfta (1256-130)
Cisterciënzerin in het klooster Helfta in Eisleben, Duitsland. Zij is één van de grootste middeleeuwse mystici.
De liefde van God, die altijd eerst is, staat centraal in heel haar spiritualiteit en beleving.

Het hart werd door God geschapen om de geestelijke vreugde te omvatten zoals een vaas water bevat. Maar indien deze vaas die water bevat, door uiterst kleine gaatjes het water laat ontsnappen, kan die het water helemaal verliezen en uiteindelijk totaal droog staan. Zo is het ook met de geestelijke vreugde die opgeslagen is in het menselijk hart. Indien dit hart leeg loopt door lichamelijke zintuigen, zoals het zien, het gehoor en de andere zintuigen vrij spel laat, zal dat hart eindigen met zich te verliezen en blijft het leeg voor elke vreugde in God. Dat kan een ieder in zichzelf ondervinden. Wanneer het een mens behaagt iets te zien of een woord te horen, terwijl dit zien en horen van weinig nut of van geen nut is, wordt de geestelijke vreugde voor niets gehouden en loopt weg als water. Maar wanneer hij integendeel zich voorneemt omwille van de liefde van God aan die verlangens te weerstaan dan neemt het geestelijke genot in zijn hart zozeer toe dat hij het nauwelijks kan beheersen. Als dus een mens zich weet te bedwingen in zulke omstandigheden, verkrijgt hij de gewoonte in God zijn genot te vinden. Hoe zwaarder het hem valt dit te doen, des te vruchtbaarder begint hij in God zijn genot te vinden” (B.3,30, Ned.vert. Deel I, p.320).

 

Wie ben ik, o mijn God, liefde van mijn hart? Helaas, Helaas, dat ik zo weinig op u gelijk. Zie, ik ben als een heel klein druppeltje van uw goedheid, en u bent een oceaan die totaal gevuld is met uw zoetheid. O liefde, liefde, open, open voor mij, die zo klein is, uw schoot van uw goedheid (pietas); open voor mij alle hemelsluizen van uw zachte vaderschap; doe over mij alle bronnen van de onuitputtelijke diepte van uw oneindige barmhartigheid opwellen. Moge de draaikolk van uw liefde mij verzwelgen. Moge ik opgeslokt worden in de diepte en de oceaan van uw barmhartige goedheid (pietas). Moge ik verdwijnen in de zondvloed van uw levende liefde zoals een druppel verdwijnt in de zee, in de diepte van haar uitgestrektheid. Moge ik sterven, moge ik sterven in de stortvloed van uw oneindige en uw immens mededogen, zoals een vonk van vuur in de onstuimige stroming van de rivier. Moge de dauw van uw liefde mij omstrengelen. Moge de beker van uw liefde mij het leven benemen. Moge het geheime opzet van uw zeer wijze liefde in mij de glorierijke dood van liefde bewerkstelligen en voltooien, die liefde die leven geeft. Daar, zal ik mijn leven in u verliezen, daar waar u leeft in eeuwigheid, o mijn liefde, God van mijn leven. Amen.” (Oefeningen 4. Ned.vert. Deel II, pp.477-478).

God is mijn enige hoop en toevlucht, commentaar op Psalm 91
H. Bernardus (1090-1153, Cisterciënzer, abt van Clairvaux)

God is mijn enige hoop
Broeders, we overwegen vandaag het vers: “Want Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9). Wat we ook te doen hebben, te vermijden, te verdragen en te verlangen: “Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9). Dat is voor mij de enige grond van alle beloften, de enige reden van mijn verwachting. Dat een andere zijn verdiensten vooropstelt, dat hij pocht het gewicht en de hitte van de dag te dragen (Mat. 20,12), dat hij bewere tweemaal per week te vasten en er zich tenslotte op beroeme niet zoals de andere mensen te zijn (Lc. 18,11-12), mij echter is het voldoende God aan te hangen en mijn hoop op God mijn Heer te stellen (Ps. 73,28).

Laat anderen hopen op andere dingen, de ene wellicht op kennis van de letteren, een tweede op sluwheid van de wereld en een derde vertrouwen op nog andere ijdelheid; om U, Heer, heb ik dit alles beschouwd als verlies en acht ik het als vuilnis (Fil. 3,8), “want Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9). Laat hem die dat wil, hopen op onzekere rijkdommen (1 Tim. 6,17); ik stel mijn hoop zelfs niet op wat noodzakelijk is voor het levensonderhoud tenzij het van U komt, want ik vertrouw op uw woord waarvoor ik alles verlaten heb: “Zoek eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid, dan zal alles u erbij gegeven worden” (Mat. 6,33). Ja, op U verlaat zich de arme: Gij zult de Helper zijn van de ouderloze (Ps. 10,14). Als me beloningen beloofd worden, dan hoop ik ze langs U te verkrijgen; als de strijd me overvalt (Ps. 27,3), als de wereld woedt, als de Boze raast en zelfs als het vlees tegen de Geest begeert (Gal. 5,17), op U zal ik hopen.

Onze goede redenen om te hopen
Dat verstaan, broeders, is leven uit het geloof (Rom. 1,17) en niemand anders kan van harte zeggen: “Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9), dan hij aan wie de Geest deze overtuiging ingegeven heeft, zoals de Profeet aanbeveelt: “Werp heel uw bezorgdheid op de Heer” (Ps. 55,23), omdat hij weet dat de Heer hem zal verzorgen, zoals ook de apostel Petrus zegt: “Schuif al uw zorgen op de Heer af, want Hij draagt zorg voor u” (1 Petr. 5,7). Als we dat verstaan, waarom dan aarzelen om al onze ellendige, ijdele, waardeloze, bedrieglijke verwachtingen te verwerpen en ons te hechten aan die enige hoop die zo sterk, volmaakt en zalig is, met alle toewijding van ons hart en alle gloed van onze geest? …
Som Hem uw kwellingen op. Zijn vertroostingen zullen door hun veelvoud uw ziel verkwikken (Ps. 94,19), als ge u niet keert tot andere vertroostingen, als ge tot Hem roept, als ge op Hem hoopt en uw toevlucht niet stelt in om het even wat laag of aards is, maar slechts in de Allerhoogste. Wie heeft op Hem gehoopt en werd beschaamd? (Sir. 2,11) Gemakkelijker zullen hemel en aarde voorbijgaan dan dat zijn woord zijn kracht zou verliezen (Mat. 24,35).

God is onze toevlucht, nog voor Hij ons verblijf wordt
De Profeet zegt: “Gij maakte de Allerhoogste tot uw toevlucht” (Ps. 91,9). (En) de Verleider (Mat. 4,3) zal daar niet toe naderen, de Lasteraar zal daar niet naar opstijgen, de verderfelijke Aanklager van onze broeders (Apoc. 12,10) zal daar niet toe komen. Zie wat er gezegd is, ja, herinner u het begin van de psalm en zie wat er gezegd werd tot diegene die verblijft onder de hoede van de Allerhoogste (Ps. 91,1) en bij Hem zijn toevlucht genomen heeft (Ps. 91,9) tegen kleinmoedigheid en storm in zijn geest (Ps. 55,9). De noodzaak om zijn toevlucht te nemen is tweevoudig: er zijn uitwendige gevechten en inwendige angsten (2 Kor. 7,5). Het zou minder nodig zijn om bij de Heer onze toevlucht te nemen, moest onze inwendige grootmoedigheid op krachtige wijze de uitwendige onrust verdragen of moest onze kleinmoedigheid door uitwendige rust getemperd worden.

“Gij maakte de Allerhoogste tot uw toevlucht” (Ps. 91,9), zegt de Profeet. Broeders, laten we dikwijls daarheen onze toevlucht nemen; het is een versterkte plaats (Ps. 71,3) waar geen enkele vijand te vrezen is, en moge het ons toegelaten zijn daar voor altijd te verblijven. Maar dat is niet voor deze tijd. Wat nu een toevlucht is, zal ooit een woonplaats worden, een eeuwige woonplaats. In deze aardse tussentijd moeten we, zelfs als het niet toegestaan is om daar te verblijven, er toch dikwijls naar terugkeren. Zeker bij alle bekoringen, alle leed, alle noden welke die ook zijn, staat de stad van toevlucht voor ons open (cf. Deut. 19,1-10), is de moederlijke boezem breed ontvankelijk, zijn de spleten van de rots (Hgl. 2,14) klaar en staat het milde erbarmen van onze God wijd open (Luc. 1,78). Het is niet verwonderlijk dat degene die deze toevlucht afwijst, niet verdient te ontkomen.

Niet slechts op God hopen, maar Hemzelf hopen
Wat ik tot nu toe gezegd heb, zou voldoende kunnen lijken als commentaar over dit vers, broeders, had de Profeet gezegd: “Omdat ik op U heb gehoopt”, zoals dat in andere psalmen voorkomt (Ps. 16,1; 25,21). Dat hij echter zegt: “Gij, o Heer, zijt mijn hoop”, klinkt ruimer en verhevener, omdat hij niet alleen hoopt op God, maar hij hoopt God Zelf. Het is inderdaad juister dat wij hetgeen we hopen onze hoop noemen, eerder dan datgene waarop we hopen. Er zijn er die stoffelijke of zelfs geestelijke goederen van de Heer verlangen te krijgen, maar de volmaakte liefde (1 Joh. 4,18) dorst slechts naar wat het hoogste is en roept met al de vurigheid van haar verlangen uit: “Wat is er voor mij in de hemel en wat kan ik op aarde verlangen buiten U, God van mijn hart: o God, mijn erfdeel voor eeuwig” (Ps. 73,25-26).

De lezing van de profeet Jeremia heeft ons vandaag in enkele woorden deze beide dingen goed in herinnering gebracht: “Gij zijt goed, Heer, voor wie op U hopen, voor de ziel die U zoekt” (Klaagl. 3,25). Merk zorgvuldig het onderscheid van aantal op; de profeet heeft “wie op God hopen” in het meervoud gesteld, omdat dit gemeenschappelijk is aan velen, maar “wie God zoekt” heeft hij in het enkelvoud gesteld, omdat het een uitzonderlijk teken van zuiverheid, genade en volmaaktheid is, niet alleen om niets van Hem te hopen, maar om niets anders te zoeken dan Hem. Als God goed is voor de eersten, hoeveel temeer zal Hij het zijn voor deze laatste.

Geertrui van Helfta (1256-130)

Cisterciënzerin in het klooster Helfta in Eisleben, Duitsland. Zij is één van de grootste middeleeuwse mystici. De liefde van God, die altijd eerst is, staat centraal in heel haar spiritualiteit en beleving.

Tot mij sprak de liefde:
Word wakker ziel, hoelang zul je nog slapen?
Hoor het woord dat ik je breng.
Boven de hemelen woont een Koning die bezeten is van verlangen naar jou.
Voor jou en voor je liefde
heeft Hij zichzelf niet gespaard,
maar Hij gaf zijn lichaam prijs aan de dood.
Als je Hem zonder dralen aanvaardt, is Hij bereid van jou zijn bruid te maken.

En mijn ziel sprak in mij:
Ik ben een wees, een moeder heb ik niet, arm ben ik, zonder bezit.
Buiten Jezus vind ik nergens troost.
Hij is de uitverkorene, de enige Vriend van mijn hart.
Als Hij wil tonen dat Hij met mij begaan is, met mij, schamel wezen,
als Hij met mij wil handelen in mildheid,
dan is dit alleen dankzij zijn grote welwillendheid,
dan is dat enkel een teken van zijn hart.
Wat mij betreft, ik ben zijn eigendom.
Maar wie kan mij geven
een mens te worden naar zijn hart?
Ik blijf op U wachten.
Uw genade en uw schoonheid
hebben mij gewond tot op de bodem van mijn hart.
Indien ik nooit één word met U, word ik nooit gelukkig.
Gij, mijn vriend,
wees mild en vervul ons verlangen, het uwe en het mijne.

En Christus gaf ten antwoord:
In de heilige Geest
zal Ik je nemen tot mijn bruid,
je aan Mij hechten door een onverbreekbare band.
Jij zult mijn gastvrouwe zijn
en Ik zal je omhullen met mijn levenwekkende genegenheid.