Vele godzoekers zijn ons voorgegaan. Zij leefden dicht bij de bron en raakten ‘vol van God’. Gaven taal en teken van hun liefde.
Op deze pagina vindt u regelmatig teksten van hen tot voedsel en overweging.

Archief Bronwater

God is mijn enige hoop en toevlucht, commentaar op Psalm 91
H. Bernardus (1090-1153, Cisterciënzer, abt van Clairvaux)

God is mijn enige hoop
Broeders, we overwegen vandaag het vers: “Want Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9). Wat we ook te doen hebben, te vermijden, te verdragen en te verlangen: “Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9). Dat is voor mij de enige grond van alle beloften, de enige reden van mijn verwachting. Dat een andere zijn verdiensten vooropstelt, dat hij pocht het gewicht en de hitte van de dag te dragen (Mat. 20,12), dat hij bewere tweemaal per week te vasten en er zich tenslotte op beroeme niet zoals de andere mensen te zijn (Lc. 18,11-12), mij echter is het voldoende God aan te hangen en mijn hoop op God mijn Heer te stellen (Ps. 73,28).

Laat anderen hopen op andere dingen, de ene wellicht op kennis van de letteren, een tweede op sluwheid van de wereld en een derde vertrouwen op nog andere ijdelheid; om U, Heer, heb ik dit alles beschouwd als verlies en acht ik het als vuilnis (Fil. 3,8), “want Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9). Laat hem die dat wil, hopen op onzekere rijkdommen (1 Tim. 6,17); ik stel mijn hoop zelfs niet op wat noodzakelijk is voor het levensonderhoud tenzij het van U komt, want ik vertrouw op uw woord waarvoor ik alles verlaten heb: “Zoek eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid, dan zal alles u erbij gegeven worden” (Mat. 6,33). Ja, op U verlaat zich de arme: Gij zult de Helper zijn van de ouderloze (Ps. 10,14). Als me beloningen beloofd worden, dan hoop ik ze langs U te verkrijgen; als de strijd me overvalt (Ps. 27,3), als de wereld woedt, als de Boze raast en zelfs als het vlees tegen de Geest begeert (Gal. 5,17), op U zal ik hopen.

Onze goede redenen om te hopen
Dat verstaan, broeders, is leven uit het geloof (Rom. 1,17) en niemand anders kan van harte zeggen: “Gij, o Heer, zijt mijn hoop” (Ps. 91,9), dan hij aan wie de Geest deze overtuiging ingegeven heeft, zoals de Profeet aanbeveelt: “Werp heel uw bezorgdheid op de Heer” (Ps. 55,23), omdat hij weet dat de Heer hem zal verzorgen, zoals ook de apostel Petrus zegt: “Schuif al uw zorgen op de Heer af, want Hij draagt zorg voor u” (1 Petr. 5,7). Als we dat verstaan, waarom dan aarzelen om al onze ellendige, ijdele, waardeloze, bedrieglijke verwachtingen te verwerpen en ons te hechten aan die enige hoop die zo sterk, volmaakt en zalig is, met alle toewijding van ons hart en alle gloed van onze geest? …
Som Hem uw kwellingen op. Zijn vertroostingen zullen door hun veelvoud uw ziel verkwikken (Ps. 94,19), als ge u niet keert tot andere vertroostingen, als ge tot Hem roept, als ge op Hem hoopt en uw toevlucht niet stelt in om het even wat laag of aards is, maar slechts in de Allerhoogste. Wie heeft op Hem gehoopt en werd beschaamd? (Sir. 2,11) Gemakkelijker zullen hemel en aarde voorbijgaan dan dat zijn woord zijn kracht zou verliezen (Mat. 24,35).

God is onze toevlucht, nog voor Hij ons verblijf wordt
De Profeet zegt: “Gij maakte de Allerhoogste tot uw toevlucht” (Ps. 91,9). (En) de Verleider (Mat. 4,3) zal daar niet toe naderen, de Lasteraar zal daar niet naar opstijgen, de verderfelijke Aanklager van onze broeders (Apoc. 12,10) zal daar niet toe komen. Zie wat er gezegd is, ja, herinner u het begin van de psalm en zie wat er gezegd werd tot diegene die verblijft onder de hoede van de Allerhoogste (Ps. 91,1) en bij Hem zijn toevlucht genomen heeft (Ps. 91,9) tegen kleinmoedigheid en storm in zijn geest (Ps. 55,9). De noodzaak om zijn toevlucht te nemen is tweevoudig: er zijn uitwendige gevechten en inwendige angsten (2 Kor. 7,5). Het zou minder nodig zijn om bij de Heer onze toevlucht te nemen, moest onze inwendige grootmoedigheid op krachtige wijze de uitwendige onrust verdragen of moest onze kleinmoedigheid door uitwendige rust getemperd worden.

“Gij maakte de Allerhoogste tot uw toevlucht” (Ps. 91,9), zegt de Profeet. Broeders, laten we dikwijls daarheen onze toevlucht nemen; het is een versterkte plaats (Ps. 71,3) waar geen enkele vijand te vrezen is, en moge het ons toegelaten zijn daar voor altijd te verblijven. Maar dat is niet voor deze tijd. Wat nu een toevlucht is, zal ooit een woonplaats worden, een eeuwige woonplaats. In deze aardse tussentijd moeten we, zelfs als het niet toegestaan is om daar te verblijven, er toch dikwijls naar terugkeren. Zeker bij alle bekoringen, alle leed, alle noden welke die ook zijn, staat de stad van toevlucht voor ons open (cf. Deut. 19,1-10), is de moederlijke boezem breed ontvankelijk, zijn de spleten van de rots (Hgl. 2,14) klaar en staat het milde erbarmen van onze God wijd open (Luc. 1,78). Het is niet verwonderlijk dat degene die deze toevlucht afwijst, niet verdient te ontkomen.

Niet slechts op God hopen, maar Hemzelf hopen
Wat ik tot nu toe gezegd heb, zou voldoende kunnen lijken als commentaar over dit vers, broeders, had de Profeet gezegd: “Omdat ik op U heb gehoopt”, zoals dat in andere psalmen voorkomt (Ps. 16,1; 25,21). Dat hij echter zegt: “Gij, o Heer, zijt mijn hoop”, klinkt ruimer en verhevener, omdat hij niet alleen hoopt op God, maar hij hoopt God Zelf. Het is inderdaad juister dat wij hetgeen we hopen onze hoop noemen, eerder dan datgene waarop we hopen. Er zijn er die stoffelijke of zelfs geestelijke goederen van de Heer verlangen te krijgen, maar de volmaakte liefde (1 Joh. 4,18) dorst slechts naar wat het hoogste is en roept met al de vurigheid van haar verlangen uit: “Wat is er voor mij in de hemel en wat kan ik op aarde verlangen buiten U, God van mijn hart: o God, mijn erfdeel voor eeuwig” (Ps. 73,25-26).

De lezing van de profeet Jeremia heeft ons vandaag in enkele woorden deze beide dingen goed in herinnering gebracht: “Gij zijt goed, Heer, voor wie op U hopen, voor de ziel die U zoekt” (Klaagl. 3,25). Merk zorgvuldig het onderscheid van aantal op; de profeet heeft “wie op God hopen” in het meervoud gesteld, omdat dit gemeenschappelijk is aan velen, maar “wie God zoekt” heeft hij in het enkelvoud gesteld, omdat het een uitzonderlijk teken van zuiverheid, genade en volmaaktheid is, niet alleen om niets van Hem te hopen, maar om niets anders te zoeken dan Hem. Als God goed is voor de eersten, hoeveel temeer zal Hij het zijn voor deze laatste.